De vrouw in het ambt

door

E.W. Hiebendaal



Kantekening Levend water

Wat de schrijfster in onderstaand artikel geheel uit het ook verliest, is dat Paulus in de pastorale brieven, wel degelijk dit principe op de huidige tijd betrekt in 1 Tim. 2:11-15.

11 Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. 12 Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij. 13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. 14 En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest. 15 Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.

Het zou ook bijzonder vreemd zijn, als in de samenkomst de vrouw haar eigen man zou leren, hoe hij thuis voor haar moet zorgen. In de gemeente zou zij dan over haar eigen man heersen, terwijl zij thuis hem onderdanig zou zijn? Dit is te gek voor woorden. De vrouw in het ambt zet het christelijk huwelijk op zijn kop, Ef. 5:22-33.

Hiernaast klinkt nog een belangrijke reden in Paulus woorden door, namelijk een vrouw laat zich van nature snel op geestelijk gebied verleiden, sneller dan de man. Paulus verwijst daarvoor terug naar Adam en Eva. Eva werd verleid, niet Adam. De slang zocht expres Eva uit, niet Adam. De man neemt doorgaans meer afstand, beredeneert meer en wordt minder snel "begeistert" en door emotie meegevoerd.

Wij wijzen dit artikel van Mevr. Hiebendaal volledig van de hand. Maar plaatsen het toch voor de volledigheid.

----------------------



Paulus zegt in 1 Kor. 14:34: "Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeente zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt. En zo zij iets willen leren, laat haar thuis haar mannen vragen, want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken".

Paulus zegt hier dus, dat de wet het zegt, en in vs. 37 dat hetgeen hij hier zegt geboden des Heren zijn, waarmee hij verwijst naar Gen. 3:16 "en hij (de man) zal over u heersen". Met dit woord Wet echter, staan wij hier geheel op Joodse bodem en in de eerste brieven van Paulus had de Jood steeds de voorrang, was het steeds: "eerst de Jood en ook de Griek". Het grootste gedeelte der Gemeenten bestond uit Joden. Zij moesten blijven zoals God hen geroepen had, was iemand besneden geroepen, hij late het niet verhelpen, was iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden. Zo schreef Paulus toen nog aan alle gemeenten. 1 Kor. 1:17 en 18. De gelovige heidenen onder hen moesten zich alleen onthouden van de vier noodzakelijk dingen. Hand. 15:19 en 20. Deze grote scheiding in de gemeente van toen moest zo blijven, omdat het Koninkrijk toen nog nabij was, want daar zal Israël ook de wet houden totdat alles zal zijn geschied. Matth. 5:18 en 19.

Vandaar dat we in geheel Handelingen en in de algemene brieven gedurende die tijd geschreven (Jacobus, Petrus, Johannes en Judas) ook in Paulus' eerste brieven (Thess., Kor., Gal., Rom. en Hebreeën) gedurende deze tijd geschreven, de Joden in de allereerste plaats geroepen worden tot bekering. Maar het volk bleef, ook in het buitenland, halsstarrig en fanatiek de Christus miskennen, waarmede het de spoedige komst van het Koninkrijk remde en tegenhield, en Paulus op het laatst de woorden van Jesaja moet herhalen: "Laat het u bekend zijn, dat dit heil ,Gods (niet het koninkrijk, dat blijft voor Israël bewaard) de natiën gezonden wordt, en zij zullen horen". Hand. 28:11 tot 31.

Met deze uitspraak werd de Koninkrijksbedeling voor vele eeuwen afgesloten, omdat Israël, de hoofdfiguur daarin, zijn medewerking en deelname weigerde. En zo ontstond onze tussen-bedeling, waar het niet meer was: eerst de Jood en ook de Griek - maar waar de Griek en dan de Jood één zijn in Christus. Kol. 3:11.

Deze korte uiteenzetting was nodig om te doen zien dat we met het gebod over het zwijgen van de vrouw in de gemeenten geheel op Joodse bodem staan, waar de Jood in de meerderheid was en voorrang had, waar de wet nog tenvolle gehoorzaamd moest worden.

In onze tussenbedeling is de wet met zijn geboden en inzettingen buiten werking gesteld. Ef. 2:15. In onze tussenbedeling kan niemand ons oordelen in zake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen die slechts een schaduw zijn van hetgeen NOG KOMEN MOET, deze laatste drie woorden volgens de Joodse wet staan dus in verband met het rijk dat komen zal op aarde. Maar, zoals wij lazen, hebben wij in onze bedeling der verborgenheid, Ef. 3:9, daar niet aan te gehoorzamen.

Hoe Joods deze zaak der vrouw in de eredienst daar in Korinthe was, bewijst wel het feit dat tot op heden in de synagogen de vrouwen apart op de galerij of in elk geval geheel afzonderlijk van de mannen zitten, streng gescheiden. De actieve deelname aan de dienst geschiedde alleen door de mannen. De vrouwen verrichtten er geen functie.

Men heeft hieruit wel eens geconcludeerd, dat het Jodendom de vrouw voor minderwaardig houdt; maar er is geen gemeenschaap waar juist de vrouw in hoger ere staat dan de Joodse. Voor haar is het huis echter, naar Joods gevoel, het voornaamste. Het huis is de cel der maatschappij en de haard van het godsdienstig leven. Van de vrouw in huis moet de gloed en de warmte komen; zij schept vooral bij de huiselijke erediensten, de godsdienstige atmosfeer, want de moeder kan haar enthousiasme overbrengen op de kinderen met wie zij de godsdienstige feesten in huis kan voorbereiden.

Ja, eigenlijk ligt bij de Joden de gehele godsdienstige opvoeding in moeders handen; alleen het gebed en de eredienst aan tafel is voor de man. En zolang deze taak haar geheel in beslag neemt, vervalt voor de Joodse vrouw de openbare godsdienstoefening. Voor haar gaan de plichten van de vrouw en moeder boven het synagoge-bezoek, waar zij dan ook zelden komt. Alleen op hoge feestdagen, zoals b.v. ook de grote verzoendag; trouwens dan is het gehele gezin de ganse dag in de synagoge. Zo is ook deze synagoge het leerhuis der mannen, het is de school, en dagelijks staat deze voor hen open.

Hoe groot is het verschil met onze hedendaagse kerkdiensten, waar de vrouwen in de meerderheid zijn. Vandaar het voor onze vrouwen nog al vreemd aandoend bevel: "En zo zij iets willen leren, laten zij thuis hun eigen mannen vragen". Dit is dan ook geen bevel voor ons en voor deze tijd.

Zo meen ik dat er in de vier gevangenisbrieven van Paulus (Ef., Fil., Col. en 2 Tim.) het enige gedeelte dat alleen aan christenen uit de heidenen is geschreven, geen enkel, ceremoniëel gebod staat en zo zou daarmede op het ogenblik het zoveelste omstreden vraagstuk van "de vrouw in het ambt" zijn opgelost.

Het niet mogen spreken van de vrouw in de gemeente was een gebod voor Israël en het nog nabij zijnde Rijk evenals de "tijdgeboden" en voor ons onverteerbare teksten in dezelfde brief van 1 Kor., b.v. 1 Kor. 5:5 en van 11, 13, waarin sprake is van iemand die een bepaalde zonde doet en uitgeleverd moet worden aan de satan tot verderf van zijn vlees enz.

Zo ook het reeds genoemde 1 Kor. 7:17-24 "is iemand als onbesnedene geroepen, hij late het niet verhelpen" en vervolgens. In hoofdstuk 7:29-31 waarin gesproken wordt over degenen, die een vrouw hebben, die moeten zijn als zonder vrouw en verder 1 Kor. 11:28-31 (om het op onwaardige wijze eten van de maaltijd des Heren) zijn er onder U velen zwak en ziek en er ontslapen niet weinigen.

Het toen nabij zijnde rijk is alleen uitgesteld, totdat Israël zich tot God bekeerd en als een gezuiverd en beproefd werktuig in Gods hand een koninklijk priesterdom en heilig volk zal zijn (Ex. 19:6, 1 Petr. 2:9) dan zal de scepter van Juda uitgaan tot al de volken. Gen. 49:19.

E.W.H.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden