Hoofdstuk 1 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 3

Het Goddelijk Voornemen



2. Het Begin der Schepping

God schept uit liefde. Hij wordt door niets genoodzaakt, doch werkt in de volheid zijner vrijheid en liefde. Hij schept een schepsel, dus een wezen dat geen God is, dat geen bestaan en geen leven heeft in zichzelf, dat onvolmaakt is. Doch aangezien God absoluut is, wil Hij ook op absolute wijze het bestaan van dit schepsel. Van de onvolmaakte toestand, moet het tot volmaking komen, en wel door een volkomen gemeenschap met God.

God schept niet alleen "dingen", doch ook redelijke en vrije schepselen, hun Schepper waardig. Zonder vrijheid zouden die schepselen niet meer dan "mechanismen" zijn, Gode onwaardig. In deze zin is het bestaan van vrije schepselen een bewijs van het bestaan van een ware God, d.i. een God van liefde, een almachtige, volmaakte, absolute God.

De schepping ontstond dus niet "uit niets", maar uit God (23). Ze is echter geen emanatie Gods (23a). Na de schepping blijft God wat Hij steeds is. In brede zin is de schepping niet begrensd tot het begin, doch omvat de doorgaande werking Gods, die het onvolmaakte schepsel tot volmaaktheid wil brengen, tot de eindtoestand, waar God alles in allen is (24), tot de volkomen gemeenschap of vereenzelviging met God. We hebben dus hier een zekere evolutie, een vooruitgang, een weg tot de volmaaktheid van het schepsel. Die weg moet het schepsel vrijwillig volgen. Alleen zó kan het doel bereikt worden, in vrijheid en liefde, want zonder deze zou het vrije schepsel, Gode waardig, ophouden te bestaan en een "ding" worden. Alle dwang vermindert de vrijheid en werkt de ware vooruitgang tegen. Het schepsel moet dus bewust worden van zijn eigen waardigheid en bestemming en van Gods wil. Het moet leren uit te werken, in vrijheid en liefde, wat God in hetzelve wil werken. Het moet gebruik maken van de mogelijkheden die God, uit genade, aanbiedt. Het moet er toe komen zich volkomen aan Gods wil te onderwerpen, in liefde, en inzien dat het, verre van alzo zijn vrijheid te verliezen, alleen op deze wijze tot de volkomen vrijheid en heerlijkheid kan komen.

Onder vrijheid verstaan we het tegenovergestelde van noodzakelijkheid of slavernij. Zo heeft men de keuze tussen goed en kwaad. Goed is: wat overeenstemt met Gods wil. Door een goed gebruik der begrensde vrijheid, komt men in nauwere gemeenschap met God en is men dus minder onderworpen aan het kwaad, dus vrijer. Omgekeerd, voert een slecht gebruik tot groter slavernij. Daarbij kan men aanmerken, dat een goed gebruik der vrijheid, een zich onderwerpen aan het goede, aan Gods wil, redelijk is. Het redelijke wezen verwezenlijkt zichzelf dus ten volle als het vrijwillig, uit liefde, Gods wil aanvaardt. Omgekeerd is het schepsel onredelijk als het dat niet doet. Het heeft dan de neiging zichzelf te vernietigen: er is gebrek aan rede, aan vrijheid, aan liefde.

Indien het oorspronkelijke schepsel dan vrijheid bezat, hoe heeft het deze dan gebruikt? We kunnen op deze vraag antwoorden door ons te beroepen op twee dingen:

  1. wat we leren uit de zichtbare wereld (inbegrepen onszelf);

  2. wat God ons leert in zijn Woord.

Onze natuurlijke vermogens laten ons toe in de tegenwoordige, zichtbare wereld Gods macht en goddelijkheid te erkennen (25). Doch we zien even duidelijk dat die wereld niet volkomen goed is, doch integendeel overal door het kwade bevlekt is. Men ziet overal Gods meesterwerk, doch het is beschadigd. De stof vergaat, de planten sterven, de dieren bestrijden en doden elkander. Voor wat de mens betreft, moeten we erkennen dat Gods Woord de waarheid zegt:

"Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam, onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen" (26).

Uit dit alles blijkt dus duidelijk dat het schepsel misbruik gemaakt heeft van zijn vrijheid en van Gods genadegaven. Het heeft zijn doel gemist en heeft zich verwijdert van de Bron van alle Liefde, Leven en Vrijheid.

Dikwijls heeft men de vraag gesteld hoe het mogelijk is dat een volmaakte God een wereld heeft geschapen waar het kwaad regeert. Om tot een oplossing te komen, hebben sommigen de tegenstelling tussen God en het kwaad trachten te vermijden, hetzij door te veronderstellen dat God niet volkomen goed of machtig is, hetzij door het bestaan van het kwaad te negeren. Doch als men rekening houdt met de vrijheid, dan kan men vasthouden beide aan een ware God en aan de werkelijkheid van het kwaad (27).

Anderen hebben gemeend, dat God zelf het kwaad in de schepping heeft gebracht. Doch dit is niet redelijk, want "kwaad" is juist wat God niet wil. Al wat God doet is noodzakelijk goed.

Laat ons nu, in het kort nagaan wat de Schriften ons openbaren aangaande de oorspronkelijke schepping. We moeten dus een poging doen om de eerste verzen van het boek Genesis goed te begrijpen. Nu toont echter de uiterst omvangrijke literatuur aangaande dit onderwerp (28) dat men die teksten op meerdere wijzen kan uitleggen. We zullen die exegese kiezen, die, steunende op de grondgedachte der volledige inspiratie der Schriften, het best mogelijk overeenkomt met andere aanduidingen van Gods Woord, en die niet in strijd is met waargenomen feiten. We zullen ook rekening houden met de volgende opmerkingen:

  1. Het Hebreeuwse werkwoord dat door "scheppen" vertaald is, wordt nooit gebruikt voor een menselijke daad. Het betreft een werking Gods, die ook kan plaatsvinden na de oorspronkelijke schepping, die schepselen voortbrengt die niet kunnen ontstaan door de innerlijke krachten reeds aanwezig in wat reeds bestaat (dus door een "natuurlijke evolutie");

  2. Het Hebreeuws heeft geen bijzonder woord voor "heelal". Men moet dus gebruik maken van de uitdrukking "hemel en aarde" om al het bestaande aan te duiden. Natuurlijk kan "hemel en aarde", na de oorspronkelijke schepping, ook een deel van het heelal aanduiden: b.v. de aarde en de luchthemel;

  3. De eerste verzen spreken niet uitdrukkelijk van de schepping van geestelijke wezens; deze zijn begrepen in het heelal, door "hemel en aarde" aangeduid;

  4. Gen. 1:2: "De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond" geeft voorzeker de indruk van een chaos. God schept echter geen chaos, want zijn werken zijn volmaakt (Deut. 32:4). Deze chaos moet het gevolg zijn ener wereldcatastrofe, die overigens waarschijnlijk aangeduid wordt door het Griekse woord "katabole", meerdere malen gebruikt in het Nieuwe Testament om een heel belangrijke mijlpaal in de wereldgeschiedenis aan te duiden (29).
Als men met deze opmerkingen rekening houdt, menen we dat de beste uitleg van de eerste verzen van het boek Genesis, de volgende is:
  1. In een tijd, die totaal onbepaald blijft, was er schepping van een heelal. Gode waardig, en waartoe ook een ontelbaar aantal geestelijke wezens behoorden, later vermeld in de Schrift. De bestaanswijze van die oorspronkelijke kosmos gaat onze gedachten volkomen te boven. Een dergelijke schepping was geheel onbekend aan het heidendom, dat gewoonlijk het bestaan aanvaardde van een primitieve, vormeloze stof, of van een chaos;

  2. Er was een val van zekere machtige geestelijke wezens, zoals we verder zullen zien. Dit heeft dan tot gevolg gehad een verwoesting van een deel van de oorspronkelijke kosmos, op een onbepaalde datum. Zo ontstond dan mogelijk het stoffelijk, chaotisch heelal dat door onze sterrenkundigen onderzocht wordt. Zekere sterren schijnen te bestaan sinds miljoenen jaren. De aarde schijnt gevormd te zijn ongeveer 3000 miljoen jaren geleden. Gen. 1:2 kan betrekking hebben ofwel op de vloeibare toestand der aarde (want het woord "wateren" kan gelijk welke vloeistof aanduiden), ofwel op een latere toestand, waar de vaste aarde, althans voor een groot deel, bedekt was met water, en waar ze omringd was met dichte wolken, en de zonnestralen dus geheel werden tegengehouden. Eerst op de "vierde" dag zou het zonnelicht doorbreken. Reeds Origenes had de gedachte van een dergelijke wereldverwoesting (30);

  3. Daarna komen de "zes dagen" van Gen. 1:3-31, waar God inwerkt, want de innerlijke krachten van de overblijfselen der oorspronkelijke schepping konden geen leven, geen gevoel, geen geest voortbrengen. Er was dus waarschijnlijk een zekere "evolutie", doch gewerkt door God, dus van scheppende aard. We zullen hierop terugkomen in het volgende hoofdstuk.

Laat ons nu nagaan wat Gods Woord ons openbaart aangaande de geestelijke wezens en de val van sommige dezer. Job spreekt van de "Zonen Gods" (31) die tegenwoordig waren bij de grondvesting der wereld (32). De naam "Zonen van Elohim" vinden we nog in andere teksten (33), die ons duidelijk maken dat hij geestelijke wezens aanduidt, wier "verblijfplaats" gewoonlijk de "hemel" is. Deze wezens worden ook "heiligen" (heilige engelen) genoemd (34).

Daar ze niet voortplanten (35), waren ze in den beginne in overgrote getallen geschapen. Daniël (36) en Johannes (37) spreken van tienduizend maal tienduizenden, die zich in Gods aanwezigheid bevonden. De bedoeling is: een ontelbaar getal. De brief aan de Hebreeën vermeldt de "vele duizenden engelen" (38), terwijl Lukas wijst op "een menigte des hemelsen heirlegers" (39). Het Oude Testament spreekt dikwijls van dit hemels "leger".
Verder zijn er ook "Overheden", "Machten", "Krachten", "Heerschappijen" (40), "Cherubs" (41) en "Serafs" (42).

Twee dezer geestelijke wezens worden bij name genoemd: Michaël (43), de Archangel, en Gabriël (44).
Uit hetgeen de Schrift ons aangaande die geestelijke wezens meedeelt, moeten we besluiten dat sommige aan God gehoorzaam zijn, andere tegen Hem in opstand zijn. Hier zien we dus dat ook deze wezens in vrijheid geschapen zijn en sommigen die vrijheid misbruikt hebben, uit hoogmoed. Sommige schriftdelen werpen een zeker licht op de houding van een der meest verheven geestelijke wezens. Ezech. 28 spreekt eerst van de vorst van Tyrus, doch de tekst gaat veel verder en spreekt dan van een geestelijk wezen, in vs. 12 "Koning van Tyrus" genoemd, waarvan de menselijke vorst slechts een aards beeld is. We lezen hier:

"Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid. Gij waart in Eden, Gods hof (45); alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u, ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid. Gij waart een gezalfde overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen. Gij waart volkomen in uwe wegen, van de dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. Door de veelheid uws koophandels, hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal U, gij overdekkende cherub, verdoen uit het midden der vurige stenen" (46).
Jes. 14 geeft ook enkele aanduidingen, die men moeilijk anders kan toepassen dan op hetzelfde wezen:
"Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads: hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij die de Heidenen krenktet. En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen; ik zal de Allerhoogste gelijk worden" (47).

We vernemen dus een en ander aangaande een wezen dat in de schepping een positie bekleedde verheven boven al wat we ons kunnen voorstellen en dat eerst rechtschapen was, doch hoogmoedig werd. Niet alleen heeft het zich van God afgewend en zichzelf tot middelpunt genomen, doch het heeft aan God gelijk willen zijn. Daar het de waarheid verloochende, is het vervallen tot de leugen. Johannes zegt van de duivel dat er geen waarheid in hem is, dat hij de vader der leugen is (48) en dat hij van den beginne zondigt (49). Dat dit wezen niet alleen was in zijn opstandigheid, blijkt duidelijk uit de schriftplaatsen waar er sprake is van een strijd "tegen de Overheden, tegen de Machten, tegen de Geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen geestelijke boosheden" (50).

Er wordt dikwijls gesproken over deze geesten, die in de toekomst een laatste poging zullen doen om het rijk der duisternis op te richten (51). We begrijpen dus dat er ook een reiniging moet komen van de hemelse dingen (52). We zullen later nog handelen over de wandaden dezer gevallen engelen en hun voortdurende strijd tegen allen die Gods wil trachten te volbrengen.

We beperken ons tot dit kort overzicht, om te besluiten dat Gods Woord meerdere aanduidingen geeft over de wijze waarop de redelijke schepselen van hun oorspronkelijke vrijheid gebruik gemaakt hebben: sommige hebben begrepen dat het niet alleen redelijk is zich aan God te onderwerpen, doch dat ze alleen door hun liefde tot Hem tot hun doel kunnen komen: anderen hebben zich tegen Hem verzet (53).

Het oorspronkelijke schepsel, in zijn geheel genomen, heeft dus geen goed gebruik gemaakt van Gods genadegaven, en de gevolgen dezer houding konden niet anders dan catastrofaal zijn. Het is niet gemakkelijk ons in gedachte uit ons tegenwoordig mensenleven te verheffen tot die oorspronkelijke toestanden: we hebben te veel de neiging alles te herleiden tot onze menselijke gedachten. Het prachtige schepsel Gods keerde zich af van Hem die bron van alles is. Het verhief zich tegen Hem die Licht, Eenheid, Waarheid en Leven is. Daaruit kon niets anders ontstaan dan duisternis, chaos, leugen en dood.

We kunnen ons afvragen wat er zou gebeurd zijn indien het oorspronkelijke schepsel zijn doel niet gemist had, en door liefde, in volle gemeenschap gekomen was met de Schepper. De aioon, die nu eindigde met de verwoesting van een deel der schepping, had dan onmiddellijk gevoerd tot de eindtoestand, waar God "alles in allen" is.
Zo zouden we dan het volgende schema gehad hebben:


God

Schepsel


God alles
in allen

Terwijl nu, door de val, het volgende schema toepasselijk is:



God
Schepping

Val
  
Nieuwe schepping

God alles in allen
Herstelling

In de volgende hoofdstukken zullen we nagaan op welke wijze God handelt om tot de herstelling te komen. We voegen hier nog aan toe, dat de val der oorspronkelijke schepselen geen noodzakelijkheid was, veroorzaakt door hun onvolkomenheid. Die val was een gevolg van een verkeerd gebruik van wat goed was, een gevolg der zonde. Het onvolmaakte schepsel is niet noodzakelijk een zondig schepsel. Het vervalt in de zonde, als het aan God weerstaat door zijn eigen wil te plaatsen tegenover Gods verlangen. Het is de zonde die de nederwerping tot gevolg had en een herstelling noodzakelijk maakte.

Gedurende het ganse tijdperk der herstelling heerst de zonde. Het gaat hier niet slechts over een verbetering en volmaking, een zich verheffen tot Gods heerlijkheid. Eerst moet het schepsel zelf, uit vrije wil, doch niet in eigen kracht, zich tot God omkeren.

Men moet trachten zich enigszins voor te stellen welke verschrikkelijke gevolgen de zonde had: er ontstond een conflict tussen Gods gerechtigheid en Gods liefde. Op grond van het Recht moet God veroordelen. Doch op grond van de Liefde moet het schepsel tot zijn doel komen. Beide volstrekte Liefde en Gerechtigheid moeten ongeschonden blijven. Men ziet dat voor de mens hier een tegenstelling bestaat, een onmogelijkheid. Maar wat voor ons onmogelijk is, is niet onmogelijk voor God. Alleen de Schrift geeft ons de oplossing.




Voetnoten:

(23) 1 Kor. 8:6 zegt dat alle dingen uit (ek) Hem zijn.

(23a) Emanatie= onzichtbare uitstroming, leer van de uitvloeiing der dingen uit een hoogste beginsel (in tegenstelling tot schepping).

(24) 1 Kor. 15:28.

(25) Rom. 1:20.

(26) Rom. 1:28-31.

(27) Voor wat betreft het probleem van het kwaad, zie ons werk De Wetenschap, de Rede en het Geloof.

(28) Een groot deel dezer literatuur wordt opgegeven en onderzocht door Zöckler in Gesch. der Beziehungen zw. Theol. u. Naturwissensehaft.

(29) Katabolè komt 10 maal voor, en wordt in de Statenvertaling weergegeven met "grondlegging". De teksten kunnen in twee reeksen verdeeld worden, betreffende iets dat vóór of vanaf de katabolè bestond:

  1. vóór de katabolè: Joh. 17:24; Ef. 1:4: 1 Pe. 1:20.

  2. Vanaf de katabolè: Mat. 13:35; 25:34; Luk. 11:50: Heb. 4:3; 9:26; Op. 13:8.
Het werkwoord kataballô betekent zonder twijfel "nederwerpen" en wordt vertaald door "nedergeworpen" in 2 Kor. 4:9 en Op. 12:10. In de menselijke literatuur (en woordenboeken) wordt katabolè gebruikt voor "grondlegging", doch het schijnt ons meer logisch toe, in de Schrift "nederwerping" of "verwoesting" te gebruiken. Voor "grondlegging" heeft het Grieks het werkwoord "themelioô".

(30) De Princ. III, 5, 4.

(31) Letterlijk: "zonen van Elohim". Elohim is Gods naam als hij meer in het bijzonder als de machtige Schepper aangezien wordt. Jehovah wordt gebruikt voor God als Middelaar. De uitdrukking "zonen van Jehovah" is in Deut. 14:1 gebruikt en duidt mensen aan. Zie ook eindnoot 78.

(32) Job 38:7.

(33) Gen. 6:2; Job 1:6; 2:1; 38:7; Ps. 29:1; 89:7.

(34) Job 5:1; 15:15; Ps. 89:6, 8; Dan. 4:13; 8:13; Jud. 14.

(35) Mat. 22:30.

(36) Dan. 7:10.

(37) Op. 5:11.

(38) Heb. 12:22.

(39) Luk. 2:13.

(40) Ef. 1:21.

(41) Gen. 3:24; Ezech. 9 en 10. In Op. 4:6 noemt de Statenvertaling hen "dieren". Men leze: "levende wezens".

(42) Jes. 6:2, 6.

(43) Dan. 12:1; 10:21; 1 Thes. 4:16; Jud. 9; Op. 12:7. Er is slechts één Aartsengel en deze wordt genoemd: "die grote vorst, die voor de kinderen uw volks (Israël) staat".

(44) Dan. 9:21-23.

(45) Men lette erop dat Eden, Gods hof, niet identiek is met "de hof van Eden" (Gen. 2:8), die niet tot de oorspronkelijke schepping behoort en slechts een klein deel der aarde omvat.

(46) Ezech. 28:12-17. Zie Dan. 10:13 en Ef. 2:2 voor twee andere gevallen waar het woord "vorst" of "overste" een geestelijk wezen aanduidt. In Ex. 24:10, 17 vindt men een gezicht van de schitterende gesteenten nabij Gods troon.

(47) Jes. 14:12-14.

(48) Joh. 8:44

(49) 1 Joh. 3:8.

(50) Ef. 6:12.

(51) Op. 12:7; 13 enz.

(52) Heb. 9:23.

(53) Het is mogelijk dat anderen zich vergenoegden in hun oorspronkelijke onvolmaakte toestand te blijven, en nog anderen, zonder zich tegen God te keren, zonder Hem tot volmaaktheid dachten te kunnen komen. In latere tijden vinden we dergelijke neigingen bij de mensen: sommigen zijn onverschillig, anderen willen door hun werken gerechtvaardigd worden en vooruit komen.




Hoofdstuk 1 | Inhoudsopgave | Hoofdstuk 3



Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden