De volheid der natiën

door

E.W. Hiebendaal



"Totdat de volheid der natiën zal ingegaan zijn; alzo zal geheel Israël behouden worden", Rom. 11:25

De moeilijkheid is tot op heden nog steeds de vraag, van welke volheid hier sprake is. Een volheid der Kerk wat betreft haar bloei, of wat betreft het aantal? Neen, daarvan is men in het algemeen wel teruggekomen. Het zal hier gaan over een volheid van tijden, van tijden der natiën, of zoals Lukas 21 het zegt: Jeruzalem zal van de natiën vertreden worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn.

Maar wanneer God voor de tijden der natiën een bepaalde tijd heeft vastgesteld, moeten deze ook op een bepaalde tijd zijn begonnen. En wanneer de natiën een van God bestemde tijd hebben, lopen deze tijden dan misschien parallel met de voor Israël bestemde tijden? Dan. 9:24. Zo ja, dan geeft Dan. 2 ons in het beeld van Nebukadnezar de door God verordineerde tijden der natiën te zien. God gaf Daniël in een gezicht te zien, de van toen af door God bestemde tijd voor Israël en zijn heilige stad in deze aioon, namelijk zeventig zeventallen, met twee onderbrekingen, aldus: Na zeven weken een onderbreking, na twee en zestig weken een onderbreking, dan volgt de laatste jaarweek.

Let wel, de uitspraak gaat over het volk en de heilige stad. Van een koning over hen is geen sprake meer. Zedekia, hun laatste koning was weggevoerd met uitgestoken ogen. Van hem sprak God: En gij, o onheilige, goddeloze vorst van Israël, zo zegt de Here: "Neem weg die tulband! Zet af die kroon! Ik zal die kroon, omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet zijn, totdat Hij kome, die daartoe het recht heeft en wie Ik het geven zal". Ez. 21:25-27.

Israël was toen nog in ballingschap God beloofde hen dus wel weer het land, Jeruzalem en de tempel, maar geen koning meer, totdat de Messias Vorst over hen en de natiën zou worden. Want komen zal de wortel van Isaï, Hij die opstaat om over de natiën te regeren. Het zal te dien dage geschieden dat de natiën naar de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rust zal heerlijk zijn. Dat is de volheid der natiën, waarvan Rom. 11:25 spreekt.

En tegelijk het einde van Israëls koningloze gang in deze aioon. Koning Herodes was een door de Romeinse overheid aangestelde Idumeër. Ook de van toen af door God verordineerde tijden der natiën heeft God aan Daniël doen zien in het beeld van Nebukadnezer, dat hij zag in zijn droom, en waarvan Daniël hem de verklaring gaf. Dan. 2.

Hij zag vijf opeenvolgende wereldheersers; het Babylonische rijk, het Medo-Perzische rijk, het Griekse rijk, het Romeinse rijk, en één nog ongenoemd rijk. Deze rijken zijn gesymboliseerd in metalen. Het eerste rijk in goud, het tweede in zilver, het derde in koper, het vierde koninkrijk,in ijzer, dit laatste is een verdeeld rijk, in ijzer en leem. Dan. 2:31-44. Tussen het Romeinse wereldrijk en het nog ongenoemde vijfde rijk, dat van ijzer en leem, ligt een onderbreking. Dezelfde onderbreking als in Israëls bestaan.

Toen Israël geheel verdwenen was onder de volken, verdween enige tijd later ook het Romeinse wereldrijk. Israël komt weer tevoorschijn, en tegelijkertijd hoort men weerde roep om een wereldheerser. Hoewel Israël na Zedekia nooit meer een koning had en het er van Godswege ook nooit meer een zal hebben tot dat Christus, hun van God bestemde Koning is wedergekomen; was het toch Gods volk (Ammi) zolang het in zijn land woonde met zijn tempel en priesterdienst, en pas (lo-Ammi) niet mijn volk, wanneer de tempel er niet was en het volk uit het land.

Maar wanneer zij wél in hun land waren, en hun hoogtijden konden vieren, hadden zij toch nooit meer een eigen koning, en stonden zij onder een wereldheerser, aan wie zij schatplichtig waren.

Merkwaardig genoeg bestonden die twee gelijktijdig: het koningloze volk en een wereldheerser. Die toestand in de wereld begon gelijktijdig, en zal ook zo eindigen. Het volk Israël stroomt het land binnen. Ben Goerion verklaarde steeds, dat het uit 70 landen komende Jodendom, alleen tot één volk zal zijn te maken in zijn oude Godsverering, in zijn: "Hoor, Israël, de Heer onze God is Enig"! Komt het volk straks tot de tempelbouw, met de van God ingestelde eredienst, dan zal het weer waarlijk Gods volk zijn.

Wij christenen denken in het algemeen, dat wij Israël moeten bewegen in Christus te geloven. Johannes de Doper riep het volk tot boete en bekering tot God. Ook Petrus riep het volk tot boete en bekering tot God, opdat Hij Christus zou kunnen zenden tot wederoprichting aller dingen. M.i. is dan het geloof in Christus, voor het volk als zodanig een tweede stap. "Geloof in God, en geloof ook in Mij" en "Mijn Vader is meerder dan Ik". Zo heeft het evangelie van Johannes meerdere uitspraken van Christus zelf, die duidelijk maken, dat het volk als zodanig zich eerst gezamelijk tot God moet keren. De vele enkelingen die al in Christus geloofden, zijn slechts eerstelingen van de oogst. Dus is m.i. zending onder Israël door ons niet nodig. Alleen gebed kan hen helpen.

Wanneer dan in de toekomst de tempel er weer zal zijn, kan het volk weer inderdaad als Gods volk worden beschouwd; en zullen de natiën als geheel, (uit angst voor de atoombom) weer een wereldheerser hebben, het laatst gedeelde koninkrijk van ijzer en leem, de voeten van het beeld van Dan. 2. En daarnaast de parallel lopende gang van Israël, het éne nog apart staande zevental (laatste jaarweek), na de grote onderbreking met hun valse messias die dan de wereldheerser is.

De eerste alleenheerser Nebukadnezar (het gouden hoofd) was oppermachtig. Let wel, de God des Hemels gaf hem die macht, die sterkte en die eer. In zijn hand waren alle mensenkinderen, waar zij ook woonden. Ja, zelfs de dieren des velds en de vogelen des hemels. Men kan in volle overtuiging zeggen: "Een wereldheerser van God verordineerd". Was Nebukadnezar dit, dan zijn de daarop volgende in het beeld getoonde alleenheersers dit ook. Wanneer Nebukadnezer later op het huichelachtig gevlei van Daniëls vijanden een beeld van zichzelf laat oprichten, is het niets ongewoons als hij gebiedt dat alle natiën en talen zich moeten nederwerpen en zijn beeld aanbidden.

De tweede alleenheerser Darius, hoewel al minder machtig, geeft ook een gebod dat men dertig dagen geen verzoek mag doen tot enig god of mens, dan alleen aan hem, waardoor Daniël in de leeuwenkuil terecht komt. Hoe machtiger een alleenheerser, hoe minder kans op oorlog of verzet tussen de aan zijn gunstelingen verdeelde gebieden. Een koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, kan niet bestaan, zei de Heer.

Vandaar de vele oorlogen, in onze lange wachtenstijd, tussen grote en kleine koninkrijken, vooral in ons gekerstend werelddeel, die ieder voor zich aan Rom. 13:1-7 wilden gehoorzamen. Ons inziens moet Israël eerst Gods volk zijn, voordat de laatste van God bestemde wereldheersers komt. Men zal dan weer zien die parallel lopende gang van natiën als één geheel, en daarnaast HET VOLK met land en tempel, maar zonder koning, onderdanig aan de alleenheerser, die zij bovendien nog zullen aanvaarden als de valse messias, die volgens de voorzegging van de Heer zal komen in zijn eigen naam. Maar die tevens het middel in Gods hand zal zijn om de grote uitzuivering tot stand te brengen door zijn bevel van verzegeling aan voorhoofd of rechterhand. Te dien dage zal weer gezien worden het verschil tussen degene die God dient en wie Hem niet dient, zover het gebied van de antichrist zich zal uitbreiden.

Zolang Israël dus niet Gods volk is, zal er geen antichrist komen (want hij zal in de tempel Gods zichzelf vertonen dat hij god is) kan de wederkomst des Heren niet plaatsvinden, en met Hem het Koninkrijk niet aanbreken. De Here Jezus en Paulus hebben geweend om het harde en onboetvaardige hart van Israël. Wanneer het volk, en vooral hun leiders, zich in berouw tot God gekeerd hadden, zou er evengoed een onderbreking zijn geweest van de vierde wereldheerser naar de vijfde, de laatste; een heerser wiens macht in de Schrift met enkele jaren en maanden is afgeteld. De tijd zou dan kort zijn geweest. De God des vredes zal weldra de satan onder uw voeten verpletteren, zei Paulus nog in de Romeinenbrief. En wanneer God hem aan het einde van zijn leven niet een hogere en een spoediger verwachting geopenbaard had, dan het wachten op Israël, zou hij in deze zekerheid zijn gestorven.

Daarom kan Paulus o.i. in diezelfde Romeinenbrief, toch niet gedacht hebben aan onze grote verwarring van Kerken en Overheden in deze interim-bedeling. Na Israëls terzijdezetting heeft Paulus als overgangsbrieven nog Titus en 1 Timotheüs geschreven.

In Titus staat, dat men verstandig en rechtvaardig en vroom moet leven in deze tegenwoordige eeuw, verwachtende de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus. Twee verzen verder: "Maak hen indachtig aan overheden en machten onderdanig te zijn". Ook hier dezelfde verwachting onder dezelfde overheid.

In 1 Tim. 2:1-2 staat: "Ik vermaan dan voor alle dingen, dat smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen gedaan worden voor alle mensen, voor koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle vroomheid en waardigheid". En in dezelfde brief, hoofdstuk 6:12 en 14: "Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, tot hetwelk gij geroepen zijt... tot op de verschijning Van onze Here Jezus Christus".

Ook hier dezelfde verwachting onder dezelfde overheid. Verder schrijft dan nog Petrus aan de Joden in de verstrooiing: "Eert allen, hebt de broederschap lief; vreest God, eert de koning". 1 Petr. 1:17. Maar in diezelfde brief: "Gij zult rekenschap moeten geven aan Hem die bereid staat levenden en doden te oordelen. Het einde aller dingen is nabij. Wanneer de overste Herder verschenen zal zijn, zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid ontvangen". Ook hier dezelfde verwachting onder dezelfde overheid.

In de vier laatste gevangenisbrieven van Paulus lazen we niets meer van deze spoedige verwachting, en ook niets meer van een overheid. Op Israëls verharding volgde verblinding; hoe worden zij in de Hebreeënbrief nog gewaarschuwd toch niet in dezelfde ongehoorzaamheid te vervallen als hun voorvaderen in de woestijn, die de rust niet konden ingaan vanwege hun ongeloof.

Elf dagen reizen was het van Horeb tot Kades-Barnea, en door hun ongeloof is het veertig jaar geworden. Deut. 1:2. En hoe groot is nu hun omweg al. Uit u geen vrucht meer in deze eeuw. De grote verborgenheid, van eeuwen en geslachten verborgen, zette in, het geheimenis van Ef. 3.9, Kol. 1.26. Wij schijnen echter heden weer in een overgang te leven. De wereld, in angst voor de atoombom, vraagt een alleenheerser; alle dingen in één hand kan alleen haar redding zijn. Wanneer deze er is zal men horen: vrede, vrede en geen gevaar. De wereld zal hem aanbidden; eindelijk geen oorlog meer! Israël denkt dat deze ubermens zijn langverwachte Messias is en de slotakte dezer aioon komt met een haastig verderf.

Alle gelovigen echter, in en tot ver buiten Israël, klemmen zich dan vast aan de belofte: "Zie Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een iegelijk te vergelden, naar dat zijn werk is". Ook hier de nu zekere verwachting onder de laatste wereldoverheid.

E.W.H.





Home
| Over LW | Site Map | LW Publicaties | Zoeken
Ontwikkeld door © Levend Water Alle rechten voorbehouden